heading
English Dutch Facebook VABI COMFISH
side

Rust en Werk werd rond 1750 door Gouverneur Wigbold Crommelin opgebouwd. Crommelin bezat deze plantage tezamen met de aan-grenzende plantages Lust tot Rust en Einde Rust. Deze drie plantages werden vaak tezamen Rust en Werk genoemd.Rust en Werk werd door de slaven “Granmangron”(Gouverneur’s grond) genoemd omdat het bezit was van de “person in charge” aldaar, nl. Gouverneur Crommelin. De plantage naast Rust en Werk, Einde Rust, werd “Pikien grandson” genoemd omdat het behoorde aan de zoon van Crommelin, Benjamin (son = kind).Plantage Lust tot Rust behoorde aan Crommelin’s vrouw of zijn dochters.

De beroepssoldaat Wigbold Crommelin (1712-1789) kwam als commandeur van de troepen in 1749 naar Suriname. Van 1752-1754 trad hij op als gouverneur ad interim totdat hij in 1757 officieel tot gouverneur werd benoemd. Crommelin bestuurde de turbulente kolonie met kalmte en takt. In 1757 slaagde hij erin de grote slavenopstand bij Tempatikreek te onderdrukken. Tussen 1760 en 1761 sloot hij vrede met de Marrons.


In 1768 wilde hij repatrieren en hij vroeg om uitgebreid verlof. Jan Nepveu werd als interim gouverneur benoemd. Vanwege diverse dringende zaken kon Crommelin Suriname niet verlaten. Hij vroeg toen om eervol ontslag en dit werd hem gegund op 28 november 1769. Hij ontving het bericht op 5 februari 1770 en hij vertrok in mei 1770. Hij verliet het land tezamen met zijn vrouw en 2 dochters, Geertruida Elisabeth en Josina, op het schip genoemd Verwachting onder kapitein Godlieb Zielkens.Op 11 mei nam hij afscheid van zijn plantage.


In de tijd van Crommelin waren zowel Rust en Werk als Lust tot Rust compleet uitgeruste plantages met huizen, werktuinen en een slavendorp. Er waren geen gebouwen op plantage Einde Rust en deze was waarschijnlijk een toevoeging tot de Lust en Rust plantage. Omdat het hier koffieplantages betrof waren er geen kanalen gegraven. Vele jaren later, toen de plantages overschakelden op de produktie van suiker, werden de nodige kanalen gegraven.


In 1774 werd Rust en Werk gekocht door de heer Pieter Constatijn Nobel.
1843 – wed.P.C.Nobel estate (almanac 1843)
Er werd koffie verbouwd op de plantages. In totaal waren er 296 slaven. J.F.Wegers was de direkteur op Rust en Werk en H.G.Kuster leidde de plantages Lust tot Rust en Einde Rust.Ez.de Jager en J.F.Wegers hielden het archief voor de plantages bij.
1863 – afschaffing slavernij, beneficiaries P.C.Nobel
De eigenaren, die de erfgenamen van de overleden Mr. Pieter Constatijn Nobel waren, ontvingen bedragen van f. 69.300,= en f. 300,= als compensatie voor de slaven van de plantage Rust en Werk, en ook f. 34.200,= voor de slaven van de andere twee plantages. Er waren 430 slaven. De bekende Surinaamse familienamen Balker, Wikkeling en Accord komen oorspronkelijk van deze plantages.De erfgenamen van P.C. Nobel waren:
Anthonia Catharina Nobel (1/4 share)
Constantia Gerardina Nobel, widow of Theodor Gülcher (1/4 aandeel)
Petronella Johanna Elisabeth Nobel (1/4 aandeel)
Trintje Boterkooper, Adriaan Sligcher, zijn zoon Pieter Sligcher, Laurentina Elisabeth Sligher – tezamen 1/4 aandeel

Na de afschaffing van de slavernij kwamen er contractarbeiders naar Suriname om de grote plantages in bedrijf te houden. Er werden totaal 938 Brits-Indische en 1401 Javaanse arbeiders gecontracteerd. De aantallen kunnen ietwat lager zijn want de werving van arbeiders geschiedde in samenwerking met Alliance of de NHM. en het was niet altijd duidelijk waar de con-tractarbeiders werden ondergebracht.

De direkteuren in die tijd waren:
1873-1907 : S. van Lierop
1912-1928 : E.A. Brunings, bedrijfsleider op Rust en Werk

 

Family Gülcher
ca. 1790 - 1934 - fam. Gülcher
De geschiedenis van de plantage is gedeeltelijk beschreven in J.A.A. Bervoet’s “Inventarisatie van enige zakelijke documenten afkomstig van leden van de Gülcher familie en bloedverwanten”, ‘sGravenhage 1976, Surinaams Museum 80/20.
“… “ Op 18 mei 1800 huwde de zakenman Theodor Gülcher [1777-1839]Constantia Gerhardina Nobel [1778-1842], dochter van Pieter Constantijn Nobel [1748-1788] die eigenaar was van diverse plantages in Suriname waaronder Rust en Werk, Lust tot Rust en Einde Rust. Het areaal Rust en Werk, gelegen aan de rechteroever van de benedenwaartse Commewijnerivier tussen Johannesburg en Pieterszorg, werd geërfd door Theodor Gülcher nadat zijn echtgenote Maria Pancake [1751-1808] was overleden. Gedurende de 19e eeuw ontwikkelde dit areaal zich tot één van de welvarendste katoenplantages in Suriname. De oudste zoon van Theodor Gülcher, Pieter Constantijn [1802-1881] maakte zijn plantage tot een centrum voor de zending van de Moravische broeders onder de slaven; een groot katoenmagazijn werd het huis van de zendeling, er werden schoollokalen en werkruimtes opgezet en de leerlingen werd later toegestaan om op andere plantages onderricht te geven. De eigenaar hield persoonlijk toezicht op de voortgang van dit werk.”

Pieter Constantijn Gülcher overleed ongetrouwd. Het bedrijf werd voortgezet door de oudste zoon van zijn broer Carel Frederik Gülcher [1808-1871], Jan Marie [1849-1939].

Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog van 1861-1865 was er een tekort aan katoen dat nodig was voor het afvuren van de geweren en als resultaat daarvan begon Suriname te floreren als een katoen-exporterend land. Deze industie stortte ineen na het einde van de Amerikaanse Burgeroorlog.

 In 1889 richtte hij met zijn broer Jan Cornelis [1851-1933] een maatschappij met beperkte aansprakelijkheid op, Plantagebedrijf Rust en Werk. Dit bedrijf richtte zich op suikerverwerking. De zwagers van Jan Marie, S. en Th. van Lierop, waren ook betrokken bij de bedrijfsleiding. Er werd een suikerfabriek gebouwd op het terrein van de plantage.

Door de relaties die de familie Gülcher had met suikerondernemingen in Nederlands-Indië konden zij de technieken voor het verwerken van suikerriet verwerven. In 1912 kwam de leiding van het bedrijf in handen van Carel Frederik Gülcher [1883-1964]; hij liet het bedrijf liquideren in 1934.

De grootste suikerfabriek in Zuid-Amerika stond op Rust en Werk. Nadat de suikerfabriek werd verplaatst naar Mariënburg werden de transportkosten te hoog en de produktie van suikerriet was niet langer winstgevend. De terreinen werden later verhuurd aan de Javanen die er rijst plantten.

Als U naar de rechterkant van de pier kijkt kunt U nog altijd de oude stenen vloer van het Rust en Werk magazijn voor suikerriet zien waar toen rijst werd opgeslagen.

Tussen 1934 en 1947 werden uitgebreide proeven gedaan met bananen (pisang) en er werd een bananenbedrijf opgericht. Op de plantage Einde Rust werden de hooggelegen bedden achterin gebruikt voor het verbouwen van deze bananen. Veel andere plantages waren reeds overgeschakeld op bananen. De direkteuren op plantage Rust en Werk waren toentertijd dhr. De Kraker en dhr.Reitsma. Na het uitbreken van de 2e Wereldoorlog was het niet langer mogelijk landbouwprodukten te verschepen naar het buitenland en daarom werden de velden gebruikt voor de verbouw van cassave en rijst. Vele planters kwamen in financiële problemen door de 2e Wereldoorlog. De overheid ondersteunde de planters met de garantie dat hun werknemers konden blijven werken op de plantages. Na het einde van de oorlog, toen de planters hun subsidie ontvingen, waren velen bankroet of moesten zij een deel van hun plantage afstaan, zoals het rechtervoorstuk van plantage Nut en Schadelijk dat in die tijd werd afgestaan.

Jamin
De Verenigde Cultuur Maatschappijen N.V. werd op 30 oktober 1947 opgericht door de vier Jamin broers. De plantage en een aantal andere werden samengevoegd tot één grote firma met het doel cacao te produceren voor de Rotterdamse snoepgoedfabrikant Jamin en Zonen. Tot dit doel werd een nieuwe firma met beperkte aansprakelijkheid opgericht. Een aantal extreem droge seizoenen in de zestiger jaren vernietigden de oogsten en leidden tot het einde van deze cacao-produktie.

De gebroeders Jamin kochten eerst Plantage Geyersvlijt, daarna de plantages Maasstroom en Berlijn, In 1954 werd Rust en Werk met de aangrenzende plantages gekocht.

In 1947 had de geschiedenis van deze plantage een wending genomen met de oprichting van de VCM N.V. en uitbreiding van de zaken over meer plantages dan alleen Rust en Werk.De VCM N.V. werd in 1979 gekocht door RPGA van Alen en dhr. Armand van Alen en is sedertdien een goedlopende veeboerderij geweest.

 

Copyright VCM 2013